Van het kastje naar de muur

Blog geschreven op 09-04-2015: Link naar originele blogpost

Mijn kind is klinisch opgenomen in een kinderpsychiatrische kliniek. Het moge duidelijk zijn dat dit heel ingrijpend is voor een gezin (klik hier voor het vorige blog). Bijna een jaar geleden startte hij daar in dagbehandeling. Ik zie mezelf nog zitten bij het intakegesprek. Verdrietig. Gespannen. Hoe fijn was het dat ik het zorgvervoer snel kon regelen: één telefoontje van een kwartier met een vriendelijke medewerker van het Witte Kruis en het was geregeld. Een hele zorg minder in een hectische periode vol emoties.

Het gaat goed met mijn kind. Zó goed, dat de klinische opname aan het einde van de maand omgezet zal worden naar dagbehandeling. Wat zijn we er gelukkig mee! En mijn kind is nog het meest blij van iedereen. En spannend vindt hij het ook. Een hele verandering voor hem. Het luistert heel nauw. Met de zorg om hem heen maken we een overgangsschema, met oefenen om “dagkind” te zijn. En hij moet weer met de taxi. Via de gemeente, want op 1 januari is de jeugdwet ingegaan.

Vol goede moed mail ik het wijkteam. Ik krijg meteen een automatisch antwoord terug dat de wijkteamleider ziek is. Als het spoed is, kan ik een 06-nummer bellen. Laat ik nog even wachten, denk ik, anders denken ze misschien dat ik een drammer ben en echt spoed is het ook niet. Ik heb pas over ruim een maand zorgvervoer nodig. Tijd zat.

Na een paar dagen stuur ik toch maar een tweede mail. Ik krijg geen automatisch antwoord terug. Twee dagen wachten. Niks. Ik begin wat ongerust te worden en bel het 06-nummer van de eerste mail. “Hoe komt u aan het mailadres van het wijkteam?”, vraagt de mevrouw aan de telefoon. “Gewoon opgezocht in Google…”, stamel ik. “U moet bij de Vraagwijzer zijn, in de Stadswinkel mevrouw.” Ik haal diep adem. Na een kopje koffie om bij te komen vertrek ik naar de Stadswinkel.

Ik trek een nummertje en ga zitten. Voor mij is een bejaarde vrouw aan de beurt, die te horen krijgt dat haar water morgen zal worden afgesloten. Of ze nog geld op haar rekening heeft staan, wordt er gevraagd. Nee, dat heeft ze niet, zegt ze zacht. Wat doe ik hier?, denk ik. Dit kan niet waar zijn! Dan ben ik aan de beurt. Ik leg uit dat ik zorgvervoer nodig heb voor mijn kind. De vriendelijke dame vertelt dat er eigenlijk een WMO consulente hoorde te zitten, maar die was er nu niet, want dat liep nog niet zo. En ze hadden ook nog niet echt een plek voor haar. Maar ze kon wel online met mij een WMO formulier invullen. Eindelijk gebeurt er wat, denk ik nog. Het formulier wordt ingevuld en ik ontvang een nummer op een papiertje. “Ik adviseer u om na de Pasen even met de gemeente te bellen dat het spoed is, zodat u zeker weet dat het eind april geregeld is.” Ik kijk haar verrast aan. Gaat dit echt zo lang duren? Ik stop het papiertje goed weg en vertrek naar mijn kind, op bezoek.

Als ik thuis ben word ik gebeld. Een aardige mevrouw van het wijkteam aan de telefoon. Nee, niet het wijkteam van mijn wijk, maar van de wijk ernaast. Ze pakt het vast op, zegt ze, zodat de taxi aanvraag vast in gang gezet kan worden. Ik leg het hele verhaal uit en ook dat ik die dag al naar de Vraagwijzer ben geweest. “Hoe komt u eigenlijk aan het mailadres van het wijkteam?”, vraagt ook deze mevrouw. Kennelijk is het helemaal niet de bedoeling dat ik zelf contact opneem met het wijkteam. Ze vertelt dat het goed is dat ik naar de Vraagwijzer ben geweest en dat ik inderdaad na Pasen maar even moet bellen met de gemeente. Ik durf al bijna niet meer te zeggen dat ik over een tijdje ook een PGB nodig heb voor zorg op maat na de dagbehandeling.

Twee dagen na Pasen gaat mijn mobiel. Waarom ik een aanvraag had ingediend bij de WMO, vraagt de mevrouw. Want ik snapte toch wel dat dat helemaal niet kan, want ik moest bij de zorgverzekering zijn. Dit ging tenslotte om gespecialiseerde zorg… Ik voel mezelf naar adem snakken. Een paniekgevoel kruipt omhoog. Hoe is dit mogelijk? Dit gebeurt toch niet echt? “De jeugdGGZ is naar de gemeente…”, breng ik uit. Ik herstel me ondertussen zo goed mogelijk. “De kliniek heeft zorgvervoer ingekocht bij de gemeente en ik weet dat een ander kind in een randgemeente snel een indicatie kreeg voor zorgvervoer.”, zeg ik. De mevrouw houdt vol. Het klopt niet wat ik zeg, ik moet écht bij de zorgverzekering zijn. Ik probeer nog even en geef het dan op. Ik vraag waar ze precies van is. Van de Maatschappelijke Ondersteuning in de Wijk, vertelt ze me. En ze had deze vraag nog nooit gehad, voegt ze er onmiddellijk aan toe. Dat kan ik dan nog begrijpen, er zijn immers niet zoveel kinderen opgenomen in een kinderpsychiatrische kliniek en dat ik dan de eerste ben sinds 1 januari met zo’n vraag, daar kan ik dan nog inkomen.

Geschokt hang ik op. Ik voel een traan over mijn wang lopen. Een poosje staar ik voor me uit. Hoe kan dit? Dat er veel kinderziektes zijn sinds de Jeugdwet is ingegaan, dat weet ik. Dat we pioniers zijn, snap ik ook nog. Dat er opstartproblemen zijn, zelfs daar kan ik nog begrip voor opbrengen. Ik snap ook nog wel dat het voor al die medewerkers een overgang is en dat ze dit ook maar via het Rijk in hun schoot geworpen krijgen. Dat er medewerkers op wijkniveau zijn, die niet weten dat de jeugdGGZ naar de gemeente is overgeheveld, dát snap ik echter niet. Sterker nog, ik ben verbijsterd! En verdrietig. Hoe is dit mogelijk? Stel dat ik een moeder zou zijn geweest die zich niet verdiept had in de hoed en de rand, dan had ik de zorgverzekering dus gebeld en te horen hebben gekregen dat ik bij de gemeente moest zijn. Hoe bedoel je van het kastje naar de muur? Hoe eng is het om je te realiseren dat je als moeder meer basiskennis hebt dan de medewerker op wijkniveau van de gemeente? Dat voelt heel onveilig. Akelig. Hoe kan dit ooit goed gaan lopen als de benodigde kennis niet aanwezig is en de lijntjes niet duidelijk zijn?

Na een kop thee voor de schrik bel ik met de gemeente. Ik krijg een heel aardige meneer aan de lijn die precies weet waar ik moet zijn en die ook schrikt van mijn verhaal. Zo hoort het niet te gaan…

Na drie weken gedoe sla ik de juiste weg in. De aanvraag voor zorgvervoer ligt nu op de goede plek. Het zou fijn zijn als het wijkteam, de Vraagwijzer en WMO consulente die plek ook kennen. Nog ruim twee weken, dan gaat mijn kind met de taxi. Laat mijn verhaal zijn om van te leren. Laten we ons realiseren dat het hier om mensen en kwetsbare kinderen gaat, die van het kastje naar de muur gestuurd worden. Juist omdat ik ervaren heb dat het vorig jaar in een kwartier keurig geregeld was, voelt dit zo schrijnend en schokkend. Dit kan gewoon niet de bedoeling zijn. Ik hoop dat het snel beter gaat. En de wegen duidelijker worden. Dat zou een hoop verdriet, stress en tijd schelen. Misschien komt de zorg dan echt dichter naar de mens, zoals beloofd met deze transitie.

Vlindernatasja

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit /  Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit /  Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit /  Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit /  Bijwerken )

Verbinden met %s